Het Vertelselmanneke

De eerste avond

Appie was ziek. De dokter was geweest. Die had in zijn mondje gekeken en een grote hand op zijn voorhoofd gelegd. Toen schudde hij zijn hoofd en bromde: ”een hele week in bed blijven jongetje”. Dat vond Appie maar niks. Hij was nog maar vier jaar en vond het wat fijn om de hele dag te ravotten en te spelen.

Hij probeerde dan ook zijn mama te verleiden, met lachjes en snikjes, om even uit zijn bedje te mogen. Het hielp niet. Wat de dokter gezegd had, moest gebeuren en Appie blééf in bed.

Nu werd het donker, nacht. Appie kon dat heel goed zien want mama had het raam op een kiertje gezet en daardoor glipte een lichtstraaltje binnen. Zo wist Appie dat de lantaarn al brandde; die stond vlak onder het raam.

Toen gebeurde er iets heel vreemds…. Over het raamkozijn klom een klein mannetje naar binnen. Hij leek héél oud en was niet groter dan de hand van Appie´s vader. Hij leek wel een beetje op sinterklaas!

Het mannetje dribbelde met kleine pasjes over de vloer, nam toen een grote sprong en plof… daar zat hij op de rand van Appie´s bedje.

“Dag Appie” zei hij, “weet je wie ik ben?”

“Jij bent een kabouter” antwoordde Appie.”  Daar heeft mijn mama wel over verteld.

“Niks hoor” zei het mannetje “een kabouter ben ik niet!” “Ik ben “-en toen sprak hij heel deftig, “ik ben het vertelselmanneke!”

“Een Vertelselmanneke? Wat is dat?” vroeg Appie

Weet jij niet wat een vertelsel is? Riep het ventje. Nou, dat is eigenlijk een verhaal, maar dan veel beter. Het is een écht gebeurd verhaal. Elke ochtend klim ik op een grote vogel, Krone, heet die. We vliegen samen naar een of andere plaats en dan kijk ik heel goed wat daar allemaal gebeurt.

's Avonds vertel ik dit dan weer aan kleine zieke kinderen. Daarom heet ik het vertelselmanneke!

Nou, ik ben klein en ziek riep Appie, vertel mij dan eens z´n écht verhaal.

Nee, het is nu veel te laat, zei het mannetje. Morgen kom ik terug en dan zal ik vertellen. Hij nam een grote sprong, klom over de venterbank en verdween.

De tweede avond

Oei, wat ben ik koud klaagde het Vertelselmanneke. Vandaag ben ik in een ver land geweest. Het sneeuwde de hele dag. Brr, mijn voetjes lijken wel ijsklompjes. Hij kroop lekker bij Appie onder de deken en knorde tevreden. Appie was al bang dat het mannetje in slaap zou vallen toen die, heel zachtjes, weer begon te praten.

In dat verre land is de hele grond bedekt met sneeuw en ijs. De mensen wonen er niet in gewone stenen huizen, nee hoor. Ze maken huizen van sneeuw; bevroren sneeuwhopen zijn het met een piepklein openingetje voorin. Dat is de deur. Bovenin zit een gaatje; dat is de schoorsteen. Iglo´s heten zulke huisjes en de mensen die er in wonen noemt men Eskimo’s.

We hadden al een hele poos gevlogen, Krone en ik, voor we in dat land kwamen. We waren erg moe en hadden trek in een hapje. In de verte kwam een voortuig aan. Geen auto hoor, maar een hele grote slee. Hij werd getrokken door tien sterke honden.

Er zaten een heleboel mensen op de slee. Ze waren warm ingepakt in jassen en mutsen van bont. Dat moest ook wel, want het was daar natuurlijk verschrikkelijk koud.

Omdat Krone en ik zo moe waren, gingen we op een hoekje van de slee zitten en reden zo een hele poos mee.

Eindelijk stopte de slee bij een groepje sneeuwhuisjes, iglo’s. De mannen sprongen er vlug af en gingen hun bijlen halen. Daar hakten ze een flink gat mee in het ijs. Dat was een heel karwei, want het ijs was erg dik. Toen het gat groot genoeg leek, verwisselden de mannen hun bijlen voor hengels en … toen gingen ze rustig vissen.

De vrouwen hadden intussen een vuurtje gemaakt en daarop werd de vis gebakken. Vind jij gebakken visjes ook zo lekker Appie? Ik wel hoor! Ik vroeg een Eskimomevrouw  of we ook een stukje mochten hebben. Ze schrok eerst wel een beetje toen ze me zag, maar ik mocht toch met Krone in haar iglo komen en we mochten net zoveel vis eten als we wilden. Wat hebben we gesmuld! En weet je wat zo vreemd was? In dat sneeuwhuisje was het helemaal niet koud. Het was er zelfs lekker warm.

Toen we netjes bedankt hadden voor het lekkere eten, stapten Krone en ik weer op. Die lieve Eskimomevrouw tilde me op en zei “eerst nog een kusje”. Ik stak mijn lipjes al vooruit, maar niks hoor. Ze wreef een poosje haar neus langs mijn neusje.  Dat noemen ze daar nou een kusje!  Zal ik het eens bij jou doen?” Maar Appie´s oogjes waren al toe, dus vertrok het Manneke maar gauw.

De derde avond

“Vandaag,” zei het Vertelselmanneke, “ben ik bij zee geweest. We vlogen zover tot we geen land meer konden zien.

Wat was dat prachtig. Het zonnetje scheen en het water was helder groen. Op de grote zee voer een schip. Eerst leek het erg klein. Toen het dichterbij kwam, zagen we dat het een groot schip was, helemaal wit met vrolijk gekleurde vlaggen in de mast.”

“Zo´n grote boot had ik nog nooit gezien. Het leek wel een stad! Er waren erg veel mensen op die boot en daarom heet het een passagiersschip.

Nu weet je intussen al dat ik erg nieuwsgierig ben, dus gingen we eens een kijkje nemen.

Ik zag wel honderd kleine kamertjes, dat waren de kajuiten. In elk kamertje stond een bed, een kast, een tafel en een stoel. Ze waren vastgeschroefd aan de vloer. Dat was slim! Zo konden ze nooit omvallen, ook niet als er storm kwam en het schip erg ging slingeren.

Er waren ook veel grote kamers. Daar kon van alles doen: eten en drinken, T.V. kijken en spelen. Er was zelfs een bioscoop en….. een zwembad! Er speelden kinderen in het water met een grote rode bal.

“Krone en ik gingen stilletjes op de rand van het zwembad zitten om alles goed te kunnen zien. Toen kwam er een klein meisje en die spatte ons helemaal nat. Daar houd ik niet zo van. Ik kroop dus vlug weer op Krone en daar gingen we weer de lucht in, terug naar huis”.

“Hé Vertelselmanneke,” riep Appie, “dat verhaal dat kende ik al een beetje. Mijn papa heeft ook vaak op zo´n grote boot gevaren; die was stuurman”. Appie was erg trots op zijn vader.

Hij was vast van plan later, als hij groot was, ook stuurman te worden, of kapitein. Hij wilde dat aan het Vertelselmanneke zeggen maar….. die was alweer naar huis.

De vierde avond

“Dag Appie” riep het Vertelselmanneke, terwijl hij door het raam naar binnen klom.

”Ben je alweer een beetje opgeknapt?” “Ja hoor” zei Appie. “Ik kreeg vanmiddag van mama een grote sinasappel en die heb ik helemaal opgegeten!” “Bravo” zei het Manneke. “Maar zulke sinasappels als ik vandaag gezien heb, zou jij nooit op kunnen.”

“Waar was je dan vandaag?” vroeg Appie nieuwsgierig.

“Op de markt” zei het Vertelselmanneke “Och, och, wat was het daar druk. Er liepen wel duizend mensen. Er stonden ook een heleboel kraampjes. Op één daarvan lagen de sappigste en lekkerste vruchten uitgestald die je maar bedenken kunt; blozende rode appels, groene peren, gele bananen, blauwe druiven en grote gouden sinasappels, alles netjes in vakken.

Midden tussen al dat lekkers stond een dikke mevrouw met een vrolijk gebloemd schort voor. Ze hield een tros bananen omhoog en riep naar de  mensen die voorbij haar stalletje liepen: dames en heren, dit zijn de lekkerste bananen van de hele wereld.
Kom ze maar bij me kopen.”

Sommige mensen kochten wel wat, maar anderen lachten maar een beetje en … liepen gewoon door. Dat vond ik wel erg dom. Wie wil er nu de lekkerste bananen van de hele wereld niet opsmullen?

Er stond een klein meisje bij dat kraam. Ze droeg een lichtblauw jurkje en witte strikjes in haar blonde vlechtjes. Ze stond daar al een hele poos en keek begerig naar al dat lekkers. De dikke mevrouw naam een rode appel en wreef ham hard tegen haar schort, zodat hij mooi ging glimmen. Toen gaf ze hem zomaar aan dat meisje.

Nu weet ik niet wie ik het aardigst vind, die dikke mevrouw of dat kleine meisje. Wat denk jij Appie?”

Maar Appie antwoordde niet, want hij sliep lekker.

De vijfde avond

“Nu heb ik een mooi verhaal” zei het Vertelselmanneke “Ik ben vandaag met Krone naar Zwitserland gevlogen. Dat is niet eens zo erg ver hier vandaan. Eerst moesten we over de donkere bossen, toen kwamen we in de bergen; in Zwitserland.

De toppen van de bergen zijn spierwit. Weet je hoe dat komt? Daar ligt altijd sneeuw, ook in de zomer. Omdat die bergen zo verschrikkelijk hoog zijn, is het er altijd zó koud dat zelfs het zonnetje die sneeuw niet kan laten smelten. Daarom noemen we het ook “de eeuwige sneeuw.”

Beneden, aan de voet van de bergen, is het lekker warm. Daar grazen de schaapjes, die eten zich dik aan het malse gras.

Er zat een oude man bij de kudde. Hij droeg een hoedje en een wijde jas. Hij paste op de schaapjes. Het was de schaapherder. Zijn hond zat naast hem en lette goed op. Als er een schaap te ver van de kudde wegliep, holde hij er vlug achteraan en zorgde ervoor dat het weer terug kwam.

We vonden vooral de kleine schaapjes erg leuk, de lammetjes. Ze maakten gekke sprongetjes en kropen dan weer dicht tegen hun moeder aan.

Na een tijdje gingen we weer eens verder kijken. Toen hoorden we muziek. Geen gewone muziek hoor. Het leek wel of er honderd belletjes klingelden en… dat was ook zo. Op een lekker beschut plekje tussen twee bergen, in het dal, graasde een kudde koeien. Ze waren wel een beetje kleiner dan de koeien in ons land, maar ze leken erg sterk.

Elke koe had een belletje om de hals, een koeiebel. Die klingelen als de koeien maar eventjes de kop bewegen. Het leek wel een concert.

Weet jij nu waarom ze die belletjes droegen? Om niet te verdwalen natuurlijk. Als een koe een heel eind uit de buurt van de kudde loopt, kunnen de mensen toch steeds haar belletje horen klingelen en zo vinden ze haar terug.””Dan zal ik mijn kleine zusje ook een belletje ombinden” riep Appie. “Die loopt ook steeds te ver weg.”

Het Vertelselmanneke moest zo hard lachen, dat hij haast niet uit het raam kon komen.

De zesde avond

“Waar ben je vandaag geweest?” vroeg Appie, toen het Vertelselmanneke binnen klauterde.

“Ik ben in een museum geweest”, zei het Manneke plechtig. “Krone was een beetje verkouden. Dus liet ik hem thuis en ging allen op stap.

Toen ik door de stad liep, begon  het hard te regenen. Ik had geen regenjas aan, dus ging ik vlug in een portiek schuilen. Het was een groot portiek. Het was de ingang van een museum. In een museum mag iedereen zo maar binnenlopen. Dat deed ik dus. Ik liep door lange gangen en door grote zalen. Er lagen prachtige kleden op ge glanzende vloer. De ramen waren erg groot en er brandden ook nog veel lampen. Het was er dus wel heel erg licht.

Dat moet ook wel want er was zoveel moois waar je naar kijken kon. In sommige zalen hingen de wanden vol kleurige schilderijen. Die waren zo waardevol dat je ze in geen enkele winkel kunt kopen. Daarom mogen mensen ze hier, in het  museum komen bekijken. De mensen die deze schilderijen gemaakt hebben, leven niet meer. Ze kunnen dus ook geen nieuwe meer maken. Daarom moeten we er erg zuinig op zijn en we mogen er nooit aankomen.

In een andere zaal stonden wel honderd beelden. Sommige vond ik mooi, maar andere helemaal niet. Toch waren die lelijke ook kunstschatten. Het is heel goed mogelijk dat andere mensen ze wel mooi vinden. Die hebben dan een andere smaak.

Opeens kwamen er een heleboel mensen binnen. Vooraan liep de gids. Dat is de man of vrouw die alles weet over alle schilderijen en beelden. Hij vertelt het dan weel verder aan de bezoekers. Ik wilde best een poosje blijven luisteren, maar een grote man trapte haast op mijn voetje. Ik ging dus maar gauw weg. Het regende trouwens niet meer.

Welterusten Appie, ik ga nu naar Krone. Nu hij een beetje ziek is, mag ik hem niet zo lang alleen laten. Tot morgen…

De zevende avond

“Dag Vertelselmanneke” riep Appie “ is Krone weer beter?”

“Ja hoor, Zei het Manneke, “we zijn weer samen op reis geweest. Helemaal de zee over, naar Schotland.”

“Vertel gauw” zei Appie, en hij ging rechtop in bed zitten. Je kon wel zien dat hij niet meer zo ziek was. “Ho, ho, eerst onder de dekens, dan zal ik vertellen” zei het Manneke.

“Toen we Schotland in de verte zagen, leek het maar koud en kaal. In plaats van een mooi zandstrandje waren er steile rotsen.. en verder niets. Maar na een poosje kwamen we bij een leuk dorpje. De huisjes hadden vrolijke gekleurde luiken en  de straten hingen bonte, papieren slingers. Op een plein stond een  groen bankje. Daar gingen we even uitrusten en toen begrepen we dat het een feestdag was.

Er kwamen kinderen aan Ze droegen witte gympakjes en witte gymschoenen.

Sommige hadden hoepels bij zich en daar deden ze allerlei kunstjes mee. Anderen zwaaide vrolijk met groene vlaggetjes. En toen kwam de muziek!

Krone en ik hielden onze buikjes vast van het lachen. Die muzikanten waren flinke mannen… maar ze hadden rokjes aan, net zoals bij ons de meisjes. Iemand vertelde ons dat dit in Schotland heel gewoon was. Zo´n rokje noemen ze een “kilt”. Zij worden gemaakt van geruite stof en elke familie heeft een ander soort ruit. Zo ken je ze makkelijk uit elkaar. Op hun hoofd droegen de muzikanten een platte muts, in precies dezelfde stof als hun rokjes. Maar het meest vreemde was toch wel de muziek. De instrumenten leken op een grote zak met een pijp eraan. Ze heten doedelzakken en als  men erop blaast, komen er mooie klanken uit.

Een groepje mannen begon te dansen op de maat van de muziek. Zomaar, midden op de straat. Ik vond het heel erg mooi, maar Krone zei “ik krijg hoofdpijn van die muziek, laten we naar huis gaan”. Dat deden we dus.

Appie had met open mond geluisterd. “Hoe heten die rokjes Vertelselmanneke?” vroeg hij. “Kilts” zei het Manneke stil. Je kon wel merken dat hij graag wat langer in Schotland was gebleven. Hij keek nog steeds een beetje triest, toen hij naar buiten klom.

De laatste avond

“Vertelselmanneke, de dokter is vandaag geweest. Morgen mag ik uit bed want ik ben weer helemaal beter” zei Appie.

“Dat is goed nieuws” lachte het Manneke. “Dan kan je weer met je vriendjes spelen en heb je mij niet meer nodig”.

“O, komt u dan niet meer terug?” vroeg Appie met een klein stemmetje.

“Nee jongetje, mijn vertelsels zijn alleen voor zieke kinderen. Maar je krijgt wel een mooi afscheidscadeautje. Ik zal je leren hoe je zelf verhaaltjes kunt maken.  Dat zijn wel geen vertelsels, maar toch ook erg leuk.”

Appie keek ongelovig, maar het Vertelselmanneke vervolgde, “In het hoofd van elk kindje zijn er wel duizend kamertjes. In elk kamertje zit een verhaal, en wel precies dát verhaal wat je wil horen. Elk kamertje heeft een deurtje maar… die deurtjes zijn stevig op slot. Er is maar één mens in de hele wereld die de deurtjes kan openmaken en de verhaaltjes er uit kan halen; dat kindje zelf!

Ik zal je leren hoe je de deurtjes moet openmaken. Dat is mijn afscheidscadeautje voor jou. We zullen het een samen proberen.

Doe je oogjes zachtjes dicht en denk aan een boom. Heel goed denken hoor! Daar zwaait een deurtje open en wat staat er in het kamertje? Een prachtige boom. Het is een appelboom. Zie je de rode appeltjes hangen? Ik zie nog meer in de boom; een vogelnestje, vlak bij de stam. Er zitten één, twee, drie, vier jonge mussen in. Hoor je ze piepen? O, o, wat erg, daar komt een poes aangewandeld. Zou ze de vogeltjes zien? Dat zou niet zo leuk zijn. Je weet toch wel dat poezen soms vogeltjes pakken?

Nu is de poes vlak bij de boom. Ik denk dat ze de vogeltjes hoort. Ze kijkt omhoog. Maar wat gebeurt daar? Een rijpe appel valt pardoes op haar neus. Daar schrikt de poes van en ze rent hard weg.”

“Vertelselmanneke, dat is de poes van de buren” riep Appie. “Die is zo stout” Mijn mama vindt het niet leuk als ze in onze tuin komt, want dan vliegen alle vogeltjes weg. Maar waar is mijn verhaaltje nu gebleven? Ik zie het nergens meer!”

“Dat is waar ook” zei het Vertelselmanneke “als je praat gaat het deurtje vanzelf weer dicht”. “Maar nu moet ik toch echt weg hoor Appie, er zijn vandaag veel kindjes ziek in deze buurt”.

En daar zag Appie het Vertelselmanneke voor de laatste keer naar buiten  klimmen. Hij  zwaaide nog even met zijn handje.. en weg was hij.

Appie kroop gauw weer onder de dekens en kneep zijn oogjes dicht. Hij keek naar de kamertjes in zijn hoofd en koos het deurtje uit dat hij nu ging openmaken.